Werk aan het achterbeen • Dressuur Magazine
Artikelen
Foto: www.arnd.nl

In de training wil je als ruiter dat je paard van achter naar voren fijn door zijn lijf gaat. Daarvoor moet je dan wel zorgen dat je paard zijn achterbenen goed gebruikt. Dat kun je volgens George Williams het beste doen wanneer je de werking van het achterbeen begrijpt.

Drie manieren

Er zijn drie manieren waarop de achterbenen van het paard werken: met stuwkracht, reikwijdte en draagkracht. Dat legt George Williams op  Dressagetoday uit. Een goed dressuurpaard moet goed ontwikkeld zijn in zijn vermogen en kracht om alle drie te gebruiken.

Soepel

Wanneer je wilt gaan werken aan de verbetering van het achterbeengebruik moet je wel zorgen dat je paard losgewerkt is, want als hij zich vasthoudt in zijn rug, dan belemmert dat het werk. Tegelijkertijd werk je met het verbeteren van het achterbeengebruik ook weer aan de souplesse van je paard. De drie manieren waarop het achterbeen werkt zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en als ruiter moet je leren wanneer je waar om vraagt.

Stuwkracht

Stuwkracht verwijst naar het vermogen van het paard om zichzelf van de grond te duwen. Het achterbeen dat duwt, doet dit vanuit een beginpositie waarin hij stevig op de grond staat Het paard duwt dan tegen of van de grond met een krachtige stuwkracht die hem vooruit (in uitgestrekte draf bijvoorbeeld) of omhoog (zoals in passage) duwt. Om de stuwkracht te beïnvloeden, geef je je paard een beenhulp om voorwaarts te gaan of meer opwaarts als het been op de grond staat.  

Reikwijdte of paslengte

Om de paslengte van je paard te beïnvloeden of de mate waarin hij zijn achterbeen onder de massa zet richting zijn buitenvoorbeen bijvoorbeeld, moet je de beenhulp geven op het moment dat het been naar voren beweegt en dus de grond verlaat. Dan kun je met je been vragen om een iets grotere pas of om zijn been iets meer onder de massa te zetten.

Draagkracht

Het vermogen om meer gewicht te dragen kun je beïnvloeden door het maken van halve ophoudingen. Met een halve ophouding vraag je je paard een moment zijn beweging te vertragen en zo zijn gewicht iets meer naar zijn achterhand te verplaatsen.

Wanneer

Het is dus belangrijk om te weten wanneer je paard welk achterbeen beweegt of juist op de grond heeft staan om je hulpen goed te kunnen timen. Met overgangen tussen en binnen de gangen en met voorwaarts-zijwaartse oefeningen, waarbij je tussendoor ook regelmatig halve ophoudingen gebruikt om je paard in balans te houden, werk je aan alle drie de manieren waarop je paard zijn achterbenen kan gebruiken en zo ontwikkel je steeds meer spierkracht en balans en dat is een goede voorbereiding op steeds een beetje meer verzameling.

Bron: Dressagetoday

hrlijn

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.